Dioramics is ontstaan uit een opeenvolging van manieren om de werkelijkheid te begrijpen. Eerst het wetenschappelijke wereldbeeld, vervolgens de poging om wetenschap en spiritualiteit in een omvattende synthese samen te brengen. Toen die samenhang haar vanzelfsprekendheid verloor, verschoof de aandacht naar zelfonderzoek, advaita en non-dualiteit. Uiteindelijk kwamen ook de beloften en waarheidsaanspraken daarvan ter discussie te staan.
Die ontwikkeling was geen keurig afgebakende reeks stadia. Verschillende perspectieven bestonden naast elkaar en beïnvloedden elkaar. Toch is er achteraf een beweging in te herkennen: van het zoeken naar een uiteindelijke verklaring naar aandacht voor de verschillende werelden waarin zulke verklaringen overtuigend worden.
Het wetenschappelijke wereldbeeld
Het vertrekpunt was de verwondering over de ontdekkingen van de natuurwetenschap. Atomen, moleculen, evolutie en het ontstaan van het heelal openden een werkelijkheid die veel groter en vreemder was dan de alledaagse omgeving deed vermoeden. Achter de vertrouwde verschijnselen werden structuren en processen zichtbaar die onderzocht en verklaard konden worden.
Daarbij hoorde het vertrouwen dat kennis zich geleidelijk kon uitbreiden tot een steeds vollediger beeld. Wat nog niet werd begrepen, zou misschien later verklaard kunnen worden. De werkelijkheid leek in beginsel toegankelijk voor onderzoek, ook waar de beschikbare kennis nog tekortschiet.
Deze belangstelling verdween niet. Wel groeide de vraag welke plaats de beleefde ervaring in zo’n wereldbeeld had. Hoe verhield een beschrijving in termen van materie en processen zich tot het ervaren van betekenis, schoonheid, verbondenheid en bewust zijn? Kon ook dat binnen hetzelfde beeld worden begrepen?
De belofte van een grote samenhang
De ontmoeting met psychologie, filosofie en spirituele ideeën leek een ruimere samenhang mogelijk te maken. Bij Carl Jung en Roberto Assagioli verscheen de psyche als een wereld van symbolen, ontwikkelingsmogelijkheden en verschillende lagen van bewustzijn. Het menselijk bestaan kreeg een diepte die in een uitsluitend natuurwetenschappelijke beschrijving moeilijk herkenbaar leek.
Het werk van denkers als Oliver Reiser, Teilhard de Chardin en Henri Bergson voedde vervolgens het vermoeden dat materie, leven en bewustzijn met elkaar verbonden konden worden binnen één omvattend perspectief. Hun onderlinge verschillen waren aanzienlijk, maar wat mij aantrok was de mogelijkheid van een grote samenhang.
Wetenschap en spiritualiteit hoefden elkaar daarin niet uit te sluiten. Ze konden worden gezien als verschillende toegangen tot dezelfde werkelijkheid. Evolutie kreeg een ruimere betekenis, bewustzijn een centrale plaats en het individuele leven werd onderdeel van een groter proces.
De aantrekkingskracht daarvan was ook esthetisch en existentieel. Een synthese maakte van losse inzichten een geheel waarin alles zijn plaats leek te kunnen krijgen. De wereld werd begrijpelijker en betekenisvoller tegelijk.
Het uiteenvallen van de synthese
Het lezen van onder anderen Michel Foucault en Gilles Deleuze bracht dat vertrouwen aan het wankelen. Hun werk bood verschillende manieren om aandacht te geven aan historische omstandigheden, verschillen, veelheid en de werking van begrippen. Wat als een universele orde was verschenen, kon ook worden onderzocht als een bepaalde ordening, met eigen voorwaarden en uitsluitingen.
Voor mij verschoof daarmee de vraag. Had ik een samenhang ontdekt die onafhankelijk van mijn denken bestond, of had ik uiteenlopende ideeën zo bij elkaar gebracht dat ze een overtuigend geheel vormden? Wat gebeurde er met ervaringen en inzichten die niet in dat geheel pasten?
Een systeem kan veel verklaren en tegelijk zijn eigen uitgangspunten aan het zicht onttrekken. Zodra alles erbinnen een plaats krijgt, kan ook ieder bezwaar als bevestiging worden uitgelegd. De volledigheid die eerst zo aantrekkelijk was, kan dan een gesloten karakter krijgen.
De synthese verloor haar overtuigingskracht. Daarmee verdwenen niet alle inzichten waaruit zij was opgebouwd, maar wel het vertrouwen dat ze samen één definitief beeld zouden opleveren. Dat liet een open vraag achter: hoe verder wanneer het denken geen omvattend houvast meer biedt?
Van de werkelijkheid naar de zoeker
Via meditatie, zelfonderzoek en de wereld van satsang verschoof de aandacht naar degene die de werkelijkheid probeerde te begrijpen. Advaita stelde een andere vraag centraal: wie ben ik? Wat is dat zelf dat zoekt, kent, verlangt en zich tegenover een wereld geplaatst voelt?
De mogelijkheid diende zich aan dat de ervaren scheiding tussen zelf en wereld niet zo fundamenteel was als zij leek. Wat gezocht werd, zou niet door steeds meer kennis worden bereikt. Misschien berustte het zoeken zelf op een misverstand over wie of wat de zoeker was.
Deze benadering had een grote aantrekkingskracht. Waar de holistische synthese de verschillende delen nog probeerde samen te brengen, leek non-dualiteit de oorspronkelijke scheiding zelf ter discussie te stellen. De eenheid hoefde misschien niet te worden opgebouwd of bereikt, maar alleen te worden herkend.
Bij Douglas Harding kreeg zelfonderzoek bovendien een concrete vorm: onderzoeken wat er vanuit de eigen ervaring te zien is, in plaats van uitsluitend uitspraken over bewustzijn of werkelijkheid te aanvaarden. Dat hield de vraag naar het verschil tussen directe ervaring en uitleg daarover levend.
Ook het uiteindelijke inzicht wordt een beeld
Toch kon ook deze zoektocht opnieuw een ideaal voortbrengen. Verlichting, ontwaken of bevrijding werd voorgesteld als een beslissende verandering waarna het leven vanuit een fundamenteel ander inzicht zou worden geleefd. De leraar leek te vertegenwoordigen wat de zoeker nog moest ontdekken.
Zo kon de eigen ervaring worden afgemeten aan beschrijvingen van vrede, vrijheid en het ontbreken van afgescheidenheid. Er ontstond een voorstelling van hoe het leven werkelijk zou moeten worden ervaren. De poging om aan vaste denkbeelden te ontsnappen, kreeg daarmee zelf de vorm van een overtuigend beeld.
Geleidelijk kwamen ook hier vragen op. Wat betekende het precies wanneer iemand zei geen afzonderlijk zelf te ervaren? Wat rechtvaardigde de overgang van die beschrijving naar de uitspraak dat er in werkelijkheid geen afzonderlijk zelf bestond? En waarom zou een bepaalde manier van ervaren de bestemming van ieder mensenleven moeten zijn?
Het doorprikken van de spirituele belofte
De teksten van Robert Saltzman, Shiv Sengupta en, in mindere mate, Joan Tollifson hielpen mij om de verwachting van een spiritueel eindpunt kritisch te bekijken. Voor mij lag hun betekenis vooral in het ondervragen van de belofte dat het gewone leven vervangen zou kunnen worden door een definitief bevrijde toestand.
Miranda Warren maakte vervolgens een onderscheid tastbaar dat voor Dioramics belangrijk zou worden. Haar beschrijving van leven zonder ervaren afgescheidenheid hoefde geen maatstaf voor mijn eigen ervaring te zijn. Verschillende manieren van ervaren konden naast elkaar bestaan, zonder dat de ene noodzakelijk een onvoltooide versie van de andere was.
Daarmee kwam de verhouding tussen non-dualiteit als beleefde ervaring en non-dualiteit als levensfilosofie in beeld. Een ervaring kan ingrijpend en overtuigend zijn. De uitspraken over wat zij uiteindelijk onthult, blijven afzonderlijk te onderzoeken.
Wat zijn kracht verloor, was de aanspraak op een laatste woord: de gedachte dat één ervaring of inzicht definitief vastlegt hoe de werkelijkheid is en hoe het leven moet worden beleefd.
Het opengaan in Dioramics
Vanuit die ontwikkeling werden de eerdere wereldbeelden op een andere manier zichtbaar. Het wetenschappelijke universum, de holistische samenhang en de non-duale wereld hadden ieder een eigen overtuigingskracht. Binnen elk ervan verschenen andere vragen, mogelijkheden en vanzelfsprekendheden.
Het ging bovendien om meer dan ideeën. Een overtuiging kon de hele betekenis van het bestaan kleuren: wat belangrijk was, waarnaar gestreefd moest worden en hoe het eigen leven werd beoordeeld. Een wereldbeeld kon een leefwereld worden.
Het beeld van de kijkdoos gaf daar een eenvoudige vorm aan. In een diorama krijgen afzonderlijke elementen door hun samenhang een plaats en betekenis. Er verschijnt een wereld waarin je kunt opgaan. Zo kon ik ook de verschillende leefwerelden begrijpen: als samenhangen die van binnenuit vanzelfsprekend zijn, maar kunnen verschuiven, openbreken en veranderen.
Dioramics ontstond toen de aandacht zich op die beweging ging richten. Hoe wordt een wereld overtuigend? Wat houdt haar bijeen? Wat gebeurt er wanneer haar vanzelfsprekendheid verdwijnt? En hoe blijven eerdere werelden aanwezig in wat later wordt beleefd?
Geen laatste wereldbeeld
De eerdere perspectieven hoeven daarmee niet volledig te worden verworpen. Wetenschappelijke kennis behoudt haar betekenis. Holistische ideeën kunnen verbanden helpen verkennen. Zelfonderzoek kan vertrouwde aannames aan het wankelen brengen. Een non-duale ervaring kan het leven ingrijpend veranderen. Wat ter discussie blijft staan, is de stap waarmee een perspectief tot de definitieve maat van alle ervaring wordt gemaakt.
Dioramics staat zelf ook in deze geschiedenis. Het gebruikt begrippen en beelden die iets zichtbaar maken en andere aspecten misschien minder goed laten zien. Het zou opnieuw een gesloten systeem kunnen worden wanneer het als de uiteindelijke verklaring voor alle andere systemen werd gepresenteerd.
Daarom past het woord opengaan hier beter dan aankomen. De zoektocht naar een laatste wereldbeeld maakt ruimte voor het onderzoeken van leefwerelden, hun verschillen en hun veranderingen. Ook de wereld van waaruit dat onderzoek plaatsvindt, blijft daarin betrokken.