wide open windows

/tienertijd/

Dorpstraat, Obdam | 1970-1971
Dorpsstraat 111 Thuis in Obdam Nieuwe kleren Pink Floyd Kubus Beertje Papa Mama Kopertje Porez St Nicolas Joegoslavië Droombeeld

Door de wet op de bejaardenoorden van Marcel van Dam zijn papa en mama gedwongen om te kiezen voor het definitief sluiten van het rusthuis in Heemstede (omdat het te kleinschalig zou zijn) om een groter tehuis te openen. We betrekken een kast van een huis in de Dorpsstraat 111 in Obdam. Tijdens de verbouwing daar moet Ida 2 maanden bij de buren wonen, omdat ze naar school in Spanbroek moet. Ik vind de verhuizing naar Obdam best angstig, omdat ik bang ben het contact met Willie te verliezen. Wij komen 2 maanden later.

Ik weet niet veel meer van het wonen daar. Het is een groot huis. Er worden zo'n 40 bejaarden verzorgd. Er is ook meer personeel nodig. Ik herinner me een meisje met donkerblonde paardenstaart en nogal zware wenkbrauwen die in de buurt woont.

Papa wordt goede vrienden met de kruidenier, met de familie van het café een eindje verderop en met de eigenaar van een zaak in huishoudelijke toestanden. Ze komen soms 's nachts thuis van een avond stappen en gaan dan nog een 'eitje bakken' bij ons in de grote keuken. Mama is zowel hoofdverpleegkundige als degene die alle administratie doet. Ik herinner me ook nog een boekhouder, waarvan achteraf bleek dat hij de boel besodemieterde. Heel pijnlijk. Ik geloof dat papa zelfs nog een biljart boven heeft laten opstellen.

De stad in de buurt is Alkmaar. Ik weet niet meer of ik het Provadja-café bezoek, dan wel het Kooltuintje. Ik koop er ook mijn eerste Pink Floyd LP 'Ummagumma' bij Ypma. Ik ben zo onder de indruk dat ik sindsdien elke plaat, die Pink Floyd maakt of ooit gemaakt heeft, wil aanschaffen.

De vader van Willie die in het postkantoor van Zandvoort werkt, onderschept de brieven die ik haar schrijf. In één van die brieven heb ik het over stiekem trouwen in Schotland. Willie's ouders gaan over de rooie en vinden dat het tijd is om een bezoek te brengen aan mijn ouders, die het hele geval belachelijk overdreven vinden.

Om haar ouders gerust te stellen ga ik een tijdje met Willy mee naar catechisatie. In mijn nette groene pak, met stropdas, met de trein. Daarna kunnen we dan samen zijn. Haar zus heeft veel moeten liegen voor ons om Willy telkens een alibi te geven.

Het bezoek van de ouders van Willy aan Obdam heeft in ieder geval als gevolg dat we toestemming krijgen om een aantal weken op vakantie naar Joegoslavië te gaan in de zomer van 1971. Mits we elk in aparte kamers zouden slapen en dat ook bewijzen bij terugkomst. Bij de landing van het vliegtuig heb ik last van ontzettende oorpijn, die daarna nog uren aanhoudt. Ons hotel is op een klein eilandje voor de kust van Porec, Sint Nicolas genaamd. Het hotel heet Fortuna en staat er nu nog. Op de eerste dag van ons verblijf komen we een koppel tegen in dezelfde situatie als wij. De deal is gauw gemaakt: we ruilen van kamers zodat zowel zij als wij bij elkaar kunnen slapen. De oorspronkelijke vouchers houden we zodat we de bewijzen hebben dat we apart geslapen hebben (!).

Joegoslavië is een belevenis. Eigenlijk doen we niet veel. Meestal vrijen we de hele dag in onze hotelkamer. Op een paar excursies na. We doen een bootreis naar Rovinj en een excursie naar Venetië, dat een avontuur wordt om nooit te vergeten. De reis ernaar toe is met een grote veerboot. We kunnen ook per hovercraft, maar dat is veel te duur. Bij aankomst wordt ons op het hard gedrukt om op 18.00 ten laatste aanwezig te zijn op de kade. We zien de hele stad en drinken veel te dure koffie op het San Marcoplein. Duizenden duiven vliegen op bij het luiden van de klokken. We lopen over de Brug der Zuchten. Daar koop ik in een winkeltje een mooie schelp en een leren map als souvenirs voor thuis. Eigenlijk voel ik me best schuldig dat ik geen zin heb om iets beters te zoeken. Afijn, we vergeten de tijd en komen uiteindelijk te laat aan op de kade. We zien onze boot in de verte varen. Wat nu? Er zit niets anders op dan te proberen de volgende dag te vertrekken. De hele avond dwalen we door de stad. Waar kunnen we slapen? Misschien in een treinstation. Met een 'busboot' arriveren we op het station en proberen in de wachtkamer op een bank te slapen. We spreken af dat we omstebeurt wakker zijn om op onze paspoorten en geld te letten. Om een uur of 2 in de nacht worden we gesommeerd om het station te verlaten. Weer dwalen door de stad. Een beetje onguur type spreekt ons aan en vraagt wat we aan het doen zijn. Hij zegt dat we maar met hem moeten meegaan. We vertrouwen het voor geen cent, maar hebben eigenlijk ook geen keuze. We komen aan bij het huis van de man en verwachten elk moment een slag in de nek. Maar nee. De man blijkt een kunstschilder te zijn en biedt ons zijn huis aan om te slapen. Wat een opluchting! Hij geeft ons te drinken en vertelt verhalen over zijn communistische tijd in Amsterdam. De volgende dag neemt hij ons mee voor ontbijt in de stad, vlakbij het San Marcoplein. We nemen dankbaar afscheid en lopen nog wat in de stad om dit keer op tijd aan te komen aan de kade. Die dag zou er enkel een hovercraftboot gaan en daar hebben we geen kaartje voor. Toch neemt de kapitein ons mee terug naar Porec.

Als ik 's avonds met Wil een wandeling maak door de bosjes van het eiland valt me het geluid op van onze corduroy broeken die door het wandelen een schurend geluid maken. Ineens overvalt me in een soort flits een déjà vu beleving. Ik heb het sterke gevoel, of ik maak mezelf wijs, dat ik eerder op dat eiland geweest ben...

Op een dag vertellen we een medereizigster het verhaal van onze relatie. Ik vertel haar ook een droom die ik onlangs gehad heb. In de droom komt een scene voor dat ik aan het wachten ben bij een trap. Er komen telkens mensen naar beneden. Ik wacht op Willy, maar ze komt niet. Even later zit ik in een vliegtuig of zoiets en wordt gedropt, samen met andere mensen, op een heuvel met een weide. We lopen allemaal op de weide. Ik loop verloren rond tot ik iemand tegenkom. Het blijkt Willy te zijn. Samen lopen we naar het stadje in de verte en lopen daar door de straten. Het zijn straten uit een nieuwbouwwijk in Utrecht met gebouwen in gele baksteen. De vrouw aan wie ik dit verhaal vertel zegt dat het allemaal goed zal komen tussen ons...

Ik ga dus meestal in het weekend naar Zandvoort, maar soms komt Willy ook mijn kant op. Ik herinner me dat we kleren voor mij zijn gaan kopen in Alkmaar. Hippe kleren. Een paarse, nauwsluitende corduroy broek met bijbehorende battledress en suède laarzen (de goeie!). Het is vlak voor dat ik voor het eerst uit huis ga wonen in het 'zusterhuis' van het Juliana ziekenhuis in Zaandam.

Op een avond als we televisie aan het kijken zijn reageert mama heel raar. Ze doet net alsof wat er op de tv gebeurt echt is en gaat in gesprek met de tv-personages. Ik denk nog dat ze een borrel teveel op heeft. Diezelfde avond breekt er een acute psychose bij haar door. Dagenlang ligt ze in bed te rijmelen. Soms is het zelfs grappig. Ze slaat ons ook zomaar zonder reden en schreeuwt. Tot het niet langer gaat en ze moet worden opgenomen. Ze komt terecht in de gesloten afdeling D0 van het Centraal Ziekenhuis in Alkmaar (CZA). Wat daarna volgt is een triest en ontluisterend gebeuren. Met medicijnen heeft ze goeie episodes, waarin ze niets meer weet van de acute psychose. Als er echter iets gebeurt wat psychisch belastend is, dan slaan de stoppen weer door. Soms gaat het zelfs een paar jaar achter elkaar goed. Heel erg is het als ik haar samen met papa moet wegdoen naar D0. Ze krijgt waar ik bijsta een spuit in haar achterste. Papa is er kapot van. Hij weet ook eigenlijk niets van het zakelijke reilen en zeilen van het rusthuis en brengt de administratie mee naar haar ziekbed... Ida en ik gaan bijna dagelijks op bezoek. We weten er geen goed raad mee en uit balorigheid gluren we binnen bij de mensen aan de singel op weg naar het ziekenhuis.

De opleiding tot analyst wordt afgesloten met een jaar praktijkstage in een echt laboratorium. Via de bacterioloog van het CZA, kom ik terecht in het 'baclab' van het Juliana Ziekenhuis in Zaandam, waar dr. Schuitemaker ook de bacterioloog van is en daar hebben ze plaats. Na dat jaar doe ik op 3 en 4 januari 1973 examen in Utrecht en slaag voor het diploma. Ik mag daarna blijven werken in Zaandam.